Vrijdag 11 oktober jl stemde de ministerraad in met het voorstel van minister Blok om de schoonmaak van overheidsgebouwen voortaan weer in eigen beheer te doen. Door zelf schoonmakers in dienst te nemen, wil het kabinet de kwetsbare positie van mensen in de lagere loonschalen verbeteren.
Maar is het weer in eigen dienst nemen van medewerkers die voorheen in het bedrijfsleven werkten de beste oplossing om dit doel te bereiken en welke risico's loopt de overheid met deze maatregel?
Inbesteden
De rijksoverheid heeft de afgelopen decennia tal van niet-kernactiviteiten uitbesteed aan marktpartijen. Denk daarbij naast de schoonmaakwerkzaamheden ook aan de catering van de bedrijfsrestaurants, de beveiliging van de ministeries, de salarisadministratie van de ambtenaren en het onderhoud aan alle gebouwen van de overheid.
De belangrijkste argumenten om deze activiteiten uit te besteden waren destijds: kostenverlaging (de markt kan het goedkoper) en expertise in huis halen (de markt kan het beter).
Naar schatting zijn op deze manier de afgelopen twee decennia vele duizenden ambtenaren afgevloeid naar het bedrijfsleven. Dit beleid heeft ertoe geleid dat het Rijk zich meer en meer is gaan focussen op haar kerncompetenties; beleidsontwikkeling en -uitvoering.
De maatregel die Minister Blok heeft aangekondigd is gericht op het weer in dienst nemen, inbesteden genoemd, van 1.900 schoonmakers.
Maar hier blijft het niet bij want de verwachting is dat dadelijk ook beveiligers en postmedewerkers weer in eigen dienst van de overheid komen.
Het leek er in eerste instantie op dat er in de Tweede Kamer voldoende steun was voor de plannen van het Kabinet. Maar in de VVD-geledingen ontstaat toch steeds meer weerstand tegen het voornemen van het Kabinet. VVD'er Van der Linde liet recentelijk weten dat de hele VVD-fractie mordicus tegen het invoeren van een Rijksschoonmaakdienst is. Hij noemde het plan "absurd duur en contraproductief". Maar de PvdA eist dat de VVD zich aan het regeerakkoord houdt.
Regeerakkoord en Sociaal akkoord
De inbestedingsmaatregel komt voort uit het regeerakkoord en het sociaal akkoord tussen bonden, werkgevers en het kabinet.
In het Regeerakkoord is opgenomen dat flexibele arbeid weliswaar belangrijk is voor een goed functionerende arbeidsmarkt maar dat flexibele arbeid geen goedkoop alternatief mag worden voor werk dat beter door vaste werknemers gedaan kan worden gedaan. Daarom stimuleert het kabinet openstelling van de laagste loonschalen waardoor flexwerkers aan de onderkant van de arbeidsmarkt, zoals schoonmakers en beveiligingsmedewerkers, gewoon weer in dienst genomen worden. De rijksoverheid zal op dit punt het goede voorbeeld geven.
Een belangrijk onderdeel van het Sociaal akkoord is het verbeteren van de kwetsbare positie op de arbeidsmarkt van mensen in de lagere loonschalen met name omdat deze populatie vaak een flexibele arbeidsovereenkomst heeft zoals een nul-uren contract of een contract voor bepaalde tijd.
De Stichting van de Arbeid heeft in 1996 een nota gepubliceerd "Flexibiliteit en zekerheid". Sindsdien is het aantal mensen met een flexibele arbeidsovereenkomst sterk toegenomen. Flexibele arbeidsovereenkomsten bieden enerzijds werkgevers meer ruimte om in te spelen op de behoeften van hun opdrachtgevers. Bij catering- en schoonmaakwerkzaamheden wordt vaak maar een inzet gedurende een korte periode gevraagd; tijdens de lunchuren of tijdens de schoonmaakuren aan het begin van de avond wanneer medewerkers afgewerkt zijn (18:00 – 21:00 uur).
Anderzijds komt flexibilisering van arbeidsovereenkomst ook tegemoet aan behoeften bij medewerkers om bijvoorbeeld thuis te kunnen zijn op woensdagmiddag wanneer de kinderen 's middags vrij zijn of meer zelf te kunnen bepalen wanneer men wenst te werken.
De flexibiliteit van arbeid is volgens de sociale partners wel doorgeschoten ten nadele van de werknemer. Nul uren-contracten, min/max-contracten en tijdelijke contracten worden steeds vaker gebruikt om de personele inzet te minimaliseren en daarmee de personele kosten te verlagen. Dit geldt zeker in de schoonmaak-, catering- en beveiligingsbranche waar de overheid de afgelopen jaren door middel van Europese aanbestedingen met name op prijs heeft ingekocht omdat er nauwelijks sprake is van onderscheidend vermogen in deze commoditymarkten.
De enorme prijsdruk vanuit grote opdrachtgevers zoals de rijksoverheid, de NS en andere grote aanbestedingsplichtige organisaties heeft het bedrijfsleven aangezet om haar eigen kosten waar mogelijk te minimaliseren. Omdat personeelskosten in de schoonmaak-, catering- en beveiligingsdienstverlening veruit de hoogste kostenpost zijn is het dan ook logisch dat hier de grootste druk op kosten ontstaat.
Het excessief gebruik van flexibele arbeidscontracten is derhalve door het gevoerde inkoopbeleid van de overheid aangewakkerd!
In het sociaal akkoord zijn zes suggesties gedaan om de weeffouten die zijn ontstaan in regelgeving rondom de toenemende flexibilisering van arbeidscontracten op te heffen.
In het kader van dit artikel zijn er twee suggesties relevant. De eerste suggestie betreft het tegengaan van het doorgeschoten gebruik van flexibele contracten door het verminderen van het aantal aanbestedingen en het tegengaan van nul-urencontracten en min-max contracten in cao's.
De tweede suggestie betreft het verplicht opleiden van (flexibele) medewerkers.
Kortom, zowel het Regeerakkoord als het Sociaal akkoord worden suggesties gedaan om excessief gebruik van flexibele arbeidsovereenkomsten tegen te gaan omdat deze leiden tot kwetsbare posities van medewerkers in de laagste loonschalen.
Inbesteden kent grote risico's
Tegen het verbeteren van de kwetsbare positie van medewerkers in de laagste loonschalen zal van links tot rechts weinig tegenstand zijn. Maar de vraag rijst of inbesteding van bijvoorbeeld schoonmaak- en beveiligingsactiviteiten de beste oplossing is om dit beleidsvoornemen te bereiken.
Inbesteding van de schoonmaakactiviteiten leidt volgens minister Blok tot een kostenverhoging voor de schoonmaak van ministeries van 30 tot 35%, ofwel 20 miljoen euro per jaar en in de eerste jaren nog 3 miljoen per jaar extra omdat er allerlei initiële investeringen nodig zijn om het Rijksschoonmaakbedrijf op te tuigen.
De vraag is zelfs of de kostenverhoging niet hoger wordt dan de genoemde 30 tot 35%. De overheid heeft immers nauwelijks nog enige ervaring met het aansturen van operationele diensten zoals schoonmaakdiensten en de cao van het Rijk is geenszins afgestemd op de werkzaamheden die schoonmaak- en beveiligingsmedewerkers uitvoeren.
Naast de hogere kosten leidt inbesteden onherroepelijk tot een kwaliteitsprobleem. De Wet Overgang Onderneming verplicht het op nieuwe Rijksschoonmaakbedrijf namelijk de medewerkers in dienst te nemen die voor de huidige schoonmaakbedrijven de werkzaamheden uitvoeren voor het Rijk. De schoonmaakbedrijven zullen voordat hun contracten aflopen hun beste medewerkers elders gaan inzetten en hun mindere medewerkers massaal inzetten op de contracten die zij momenteel hebben met het Rijk. Met als gevolg dat de overheid dadelijk opgezadeld wordt met 1.900 ‘zwakkere' medewerkers.
Alternatieve oplossing
Zoals hiervoor al betoogd is er niets mis met de doelstelling van het Rijk om kwetsbare posities van medewerkers in de laagste loonschalen te verbeteren door deze groep meer zekerheden te bieden op het gebied van arbeidsovereenkomsten. Maar er zijn alternatieven die hetzelfde effect bereiken zonder de eerder genoemde risico's.
De Europese aanbestedingsregelgeving biedt de overheid namelijk de mogelijkheid om eisen te stellen aan de dienstverleners met wie de overheid een contact afsluit. Denk in dit verband aan eisen zoals:
-80% van alle medewerkers die worden ingezet op contracten met het Rijk moet een vaste dienstverband hebben van minimaal 10 uur per week
-Alle medewerkers krijgen minimaal 3 opleidingsdagen per jaar
-Etc.
Vanzelfsprekend leiden dergelijke eisen tot hogere kosten voor het Rijk maar niet in de verste verte een kostenverhoging van 30 tot 35%. Verder biedt het voor de marktpartijen zoals schoonmaakbedrijven de mogelijkheid om zich te onderscheiden op kwalitatieve gronden zodat de inkopers van het Rijk meer dan nu het geval is ook op kwaliteitscriteria kunnen selecteren.
Een dergelijke oplossing leidt alleen tot winnaars. Medewerkers in de laagste loonschalen krijgen meer baanzekerheid en er wordt geïnvesteerd in opleiding. Schoonmaak- en beveiligingsbedrijven die het in het huidige economisch klimaat al moeilijk genoeg hebben zien hun markt niet verder krimpen. De overheid loopt veel minder risico en bespaart tientallen miljoenen per jaar.
Drs. George W.A. Maas, adviseur facility management. Gespecialiseerd op het gebied van uitbestedingsvraagstukken.


