Een rechercheur wordt ontslagen wegens verdenking van handel in drugs. Het ontslag wordt tot aan de hoogste (bestuurs)rechter als terecht aangemerkt.
Een rechercheur, belast met de aanpak van georganiseerde hennepteelt, wordt in augustus 2011 door twee politieambtenaren in het centrum van Amsterdam meegenomen wegens verdenking van handel in drugs. Na onderzoek volgt onvoorwaardelijk ontslag. Bezwaar is vergeefs en de rechercheur stapt naar de rechtbank. Die verklaart het beroep ongegrond, omdat voldoende aannemelijk is dat de rechercheur op de openbare weg cocaïne of een daarop gelijkend middel heeft gebruikt. Het gebruik van (nep)dope op de openbare weg is grensoverschrijdend gedrag dat zijn weerslag heeft op het aanzien van het politiekorps. Dat is door de korpschef terecht gezien als zeer ernstig plichtsverzuim. De werknemer gaat in hoger beroep.
Plichtsverzuim
De Centrale Raad van Raad overweegt dat de rechercheur schuldig is aan plichtsverzuim. Uit zijn verklaring blijkt dat hij wist dat het om verdovende middelen ging. Volgens de Raad is het in het openbaar gebruiken van drugs, of een daarop gelijkende stof, te zien als zeer ernstig plichtsverzuim. Daaraan is onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig. Hoewel het buiten werktijd plaatsvond, heeft het wel zijn weerslag op het functioneren en aanzien van het politiekorps.
Daarbij geldt bovendien dat juist deze rechercheur belast was met de aanpak van georganiseerde hennepteelt. De rechercheur heeft betoogd dat hij niet strafbaar is, omdat de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) op het punt van drugsbezit onverbindend zou zijn. Maar voor het ambtenarentuchtrecht gelden andere regels dan in het strafrecht. Dat geen strafrechtelijke sanctie is opgelegd maakt het plichtsverzuim niet minder ernstig. Daar komt bij dat dit soort gedrag ook op grond van de Opiumwet is verboden. Dat zijn collega's hun onverminderde vertrouwen in hem hebben uitgesproken, verandert daar niets aan, net als de ernstige (financiële) gevolgen die het strafontslag heeft.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat de rechercheur dit onvoldoende heeft onderbouwd. Het hoger beroep wordt verworpen.
Aantekening
Het gaat er in dit soort zaken om of het plichtsverzuim aan de werknemer valt toe te rekenen en of de opgelegde straf niet onevenredig is. Zowel rechtbank als Raad zijn van oordeel dat het in het openbaar gebruiken van drugs, of een daarop gelijkende stof, moet worden gezien als zeer ernstig plichtsverzuim. Gezien de aard en ernst van de gedragingen en de – terecht – aan politieambtenaren gestelde eisen van betrouwbaarheid en integriteit is het onvoorwaardelijk strafontslag dan ook niet onevenredig. Het ontbreken van specifieke regels, waarin drugsgebruik verboden wordt op straffe van ontslag, is volgens de rechters niet per se nodig. Maar het is wel handig als ze er zijn!
Uitspraak: Centrale Raad van Beroep, 15 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1423
Mr. ing. R.O.B. Poort is jurist en veiligheidsdeskundige. (www.bureaupoort.nl)


