Het kabinet wil het duidelijker maken wanneer mensen werknemer zijn en wanneer werk gedaan kan worden als zelfstandige. De daarvoor geldende criteria komen in de wet te staan. Ook moet iemand die minder dan 36 euro per uur verdient als zzp’er een sterkere rechtspositie krijgen. Zij kunnen straks makkelijker stellen werknemer te zijn en een beroep doen op de bijbehorende rechten. Dat staat in het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) dat het kabinet op 7 juli heeft ingediend bij de Tweede Kamer.
Het wetsvoorstel verduidelijkt de criteria over wanneer iemand werknemer is en wanneer iemand als zelfstandige werkt. Zo zijn er criteria die bepalen of iemand wordt aangestuurd in het werk. Bijvoorbeeld of de opdrachtgever bepaalt wanneer en hoe het werk gedaan moet worden. Andere criteria toetsen of het werk voor eigen risico gebeurt. Daarbij wordt er ook gekeken of iemand zich buiten het werk als ondernemer gedraagt, bijvoorbeeld door nieuwe klanten te werven. Het wetsvoorstel verduidelijkt deze criteria, maar wijzigt ze inhoudelijk niet ten opzichte van de nu geldende gerechtelijke uitspraken. Door in deze nieuwe wet duidelijk vast te leggen waaraan getoetst wordt, wil het kabinet meer duidelijkheid bieden. Zo weten werkenden, werkgevers en uitvoeringsorganisaties beter waar ze aan toe zijn.
Rechtsvermoeden van werknemerschap
Daarnaast kunnen zzp’ers die minder dan 36 euro per uur verdienen straks stellen werknemer te zijn en een beroep doen op de bijbehorende rechten. Als de zzp’er een beroep op het vermoeden heeft gedaan, dan is het aan de werkgever om aan te tonen dat er toch geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en er als zelfstandige gewerkt wordt. Ongeveer 15 procent van de zzp’ers die eigen arbeid leveren, valt onder deze grens. Met dit ‘rechtsvermoeden van werknemerschap’ wordt de rechtspositie van laagbetaalde zzp’ers versterkt en schijnzelfstandigheid teruggedrongen.
Als er sprake is van een arbeidsovereenkomst en daarmee schijnzelfstandigheid, krijgen deze mensen alsnog recht op de voordelen die iedere werknemer heeft, zoals zwangerschap- en ziekteverlof, ontslagbescherming, werkloosheidsuitkering en een vangnet bij arbeidsongeschiktheid. De werkgever moet de daarvoor verschuldigde premies en belastingen betalen. Uitvoeringsorganisaties kunnen geen beroep doen op het rechtsvermoeden.
> LEES OOK: Vanaf 1 januari 2025 volledige handhaving op schijnzelfstandigheid
Uurtarief bepalend
Het uurtarief waaronder het rechtsvermoeden geldt wordt ieder jaar aangepast aan de stijging van het minimumloon. Het bedrag wordt naar boven afgerond op hele euro’s, zodat werkgevers weten waar ze aan toe zijn. Het bedrag van 35,43 euro (peildatum 1 januari 2025) wordt daarom naar boven afgerond op 36,00 euro.
Nederlandse Veiligheidsbranche blij met verduidelijking
De nieuwe ‘zzp-wet’ zal voor beveiligers en beveiligingsbedrijven nog meer duidelijkheid brengen over de vraag of iemand een echte zzp’er is of niet. Dat stelt de Nederlandse Veiligheidsbranche in een reactie op het wetsvoorstel van minister Van Hijum van Sociale Zaken. Volgens de vereniging bevestigt het wetsvoorstel de sinds 1 januari in de branche gegroeide praktijk voor de uitbanning van schijnzelfstandigheid.
> LEES OOK: Nederlandse Veiligheidsbranche: ‘Zelfstandigenwet geeft duidelijkheid’
Gezagsverhouding
Een voor de beveiligingsbranche belangrijk criterium is de zogenoemde ‘gezagsverhouding’. Moet iemand instructies opvolgen en is iemand ingebed in een organisatie, dan is er sprake van een gezagsverhouding en is het zeer waarschijnlijk dat hij of zij voor de wet een werknemer is. De Nederlandse Veiligheidsbranche heeft steeds betoogd dat een beveiliger die bij het begin van zijn dienst het uniform van zijn opdrachtgever (beveiligingsbedrijf) aantrekt en vervolgens een opdracht krijgt, geen zzp’er kan zijn. Hij werkt immers in een gezagsverhouding.
Het wetsvoorstel volgt daarmee voor een belangrijk deel de bestaande praktijk zoals die vanaf 1 januari van dit jaar is ontstaan. Vanaf die datum is de Belastingdienst gaan controleren of zzp’ers dat wel echt zijn. Voor de beveiligingsbranche is vanaf dat moment het gezagscriterium het belangrijkste beoordelingspunt gaan vormen.
Zelfstandigenwet
Naast het wetsvoorstel Vbar moet de Kamer zich ook nog uitspreken over het wetsvoorstel Zelfstandigenwet. Dat wetsvoorstel moet vooral duidelijke criteria geven voor ondernemerschap: wanneer is iemand een zelfstandig ondernemer en wanneer niet. Beide voorstellen zullen elkaar in de praktijk aanvullen. De Nederlandse Veiligheidsbranche reageerde eerder positief op de Zelfstandigenwet.
Voortgang wetsbehandeling
Als de Tweede Kamer instemt met het voorstel, gaat het wetsvoorstel door naar de Eerste Kamer. Als ook de Eerste Kamer instemt wordt het wetsvoorstel volgens planning op 1 juli 2026 van kracht. Er geldt geen overgangsrecht. Dat betekent dat het na inwerkingtreding van de wet per direct van kracht is en mensen er een beroep op kunnen doen.
Bron: Rijksoverheid en Nederlandse Veiligheidsbranche
Volg Security Management op LinkedIn









